De Provincie Noord-Holland had een vierjarige geliberaliseerde pachtovereenkomst afgesloten met een landbouwer. In de pachtovereenkomst stond dat het gebruik van glyfosaat op het gepachte niet was toegestaan en dat glyfosaat alleen na toestemming van de verpachtster mocht worden toegepast. De grondkamer schrapte het glyfosaatverbod uit de pachtovereenkomst en keurde deze verder goed. De Provincie was het hier niet mee eens en stelde hoger beroep in bij de Centrale Grondkamer.

De Centrale Grondkamer keurde het glyfosaatverbod in de vierjarige geliberaliseerde pachtovereenkomst goed, onder toevoeging van een voorwaarde. Die voorwaarde is dat verpachtster bij het einde van de pachtovereenkomst pachter niet zal aanspreken op het niet opleveren in de staat waarin het gepachte in gebruik is gegeven als dit niet opleveren in die staat het rechtstreeks gevolg is van het verbod op het gebruik van glyfosaat en pachter redelijkerwijs geen andere maatregelen heeft kunnen treffen om dit te voorkomen.

De Centrale Grondkamer stelde voorop dat een verpachter gebruik van glyfosaat op het gepachte mag verbieden met het oog op de bescherming van de bodem en het bodemleven, ook al is glyfosaat als middel ter bestrijding van onkruiden toegelaten tot de markt. Een pachter kan tijdens de duur en bij het einde van de pachtovereenkomst te maken krijgen met de gevolgen van het glyfosaatverbod. Voor hem is niet te voorzien in welke gevallen de Provincie toestemming zal geven voor het gebruik van glyfosaat. In de pachtovereenkomst en het pachtbeleid van de Provincie staan daarvoor namelijk geen duidelijke criteria. In dat pachtbeleid is alleen een procedure opgenomen die de Provincie volgt als een pachter toch glyfosaat wil gebruiken. Daarbij wordt met een expert gezocht naar een oplossing. 

De financiële gevolgen van het aanwezig zijn, ontstaan en verspreiden van een moeilijk te bestrijden onkruid komt volledig voor risico van de pachter als hij geen toestemming van de Provincie krijgt om glyfosaat te gebruiken. De pachter moet het gepachte namelijk onkruidvrij houden en bij het einde van de pachtovereenkomst ‘schoon’ opleveren terwijl bestrijding kostbaar is en ten koste van de opbrengst gaat. Deze verplichtingen van de pachter met alle financiële risico’s, zijn zonder wijziging daarin buitensporig. Door toevoeging van de extra bepaling is er geen buitensporige verplichting meer.